De Wedergeboorte
De koude schacht, het marmer blank en koel,
Zij droegen lang het moegemarteld lijf.
Een rijk van tranen en een stug gevoel
Hield de bezieling in een kille schrijf.
Ik haatte plots de stilte en de nacht,
Die alle schoonheid traag had omgebracht.
Toen brak het zwerk. De bliksem sloeg misnoegd
De harde korst van angst en ijs aaneen.
Niet langer werd de ziel in rouw gevoegd,
Geen weemoed meer die weent om kille steen.
Een lauwe loomheid maakte plaats voor moed,
Die door de diepste aderen stroomt als gloed.
De rozenranken winden om de zuil,
Niet als een groet aan wat er eenzaam rust,
Maar als een teken van een trotse ruil:
De storm heeft thans de levenswil gekust.
De Jonkvrouw lacht, het licht breekt door de mist,
Omdat de geest zijn eigen kracht betwist.
Ik ben ontwaakt, de bliksem is getemd,
De waterval stroomt vloeiend naar de zee.
Niet langer door het rijk der smart geremd,
Draag ik de loutering in stilte mee.
Waar haat en onmacht eerst de dichter bond,
Is het de liefde die zichzelf hervond.
7 juli 2026
Geplaatst in de categorie: afscheid

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!