Naamloos
In de slaap van een ander
draag ik mijn gezicht
als een natte doek.
De woorden: duizend kleine dieren
tegen mijn gehemelte.
Zij weten niet
waar de pit zich blindbrandt.
Men heeft mij in ramen gezet,
mijn mond met goud dichtgelood,
mijn naam verdeeld
onder de vromen.
Onder de vloer
woekert het gebeente nog.
Een varen opent zich
in de ribben van de tijd.
Jij: een sneeuwval zonder grond,
een afwezigheid die blijft rondcirkelen
tot ik, huidloos,
tegen de nacht begin te lekken.
Ik doe alsof.
Ik word bekoord
door het verdwijnen.
En ergens, diep in het donker,
roept een vrouw haar eerste naam—
maar niemand antwoordt.
... Het gedicht verbeeldt een ik-figuur die vervreemd is geraakt van zichzelf. De “slaap van een ander”, het geleende gezicht en de duizend namen wijzen op een bestaan dat door verwachtingen, religie, herinneringen of anderen is overgenomen. ...
Schrijver: bart devoldere21 augustus 2026
Geplaatst in de categorie: emoties

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!