We noemen hem Kees XIX; vers 006
*006*
De wereld flikkert
geen licht
verteerbare blaadjes
naar binnen,
noch daar buiten
-waar ook geen ziel huist.
Alleen het
onbesuisde niks
luistert indachtig,
nauw, als
de traag druppelende
dauw
op de ochtenden
waarop wíj wachten,
voor bij de poorten
als uitgefaseerde rozen.
‘Sta op, sta op!’
Ik hoor het
mijzelf uitstoten
als een zucht,
een straal,
licht
verwijtend,
gebundelde kunde.
Geplaatst in de categorie: individu

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!