voeg je netgedicht toe

Netgedichten

Laatst toegevoegde netgedicht (nr. 90.582):

Odysseus’ verhaal; keer-op-keer

Ik zal niet alle verhalen vol onwaarheden herhalen
of weerleggen, rechtzetten noch tegenspreken, die
door de eeuwen heen over mijn reis zijn verschenen.

Ik zou het firmament kunnen vullen met de uitbundigste
leugens, de meest vreemde verdraaiingen, de overtreffende
trappen van overdrijving en het buitenproportionele hopen

van mensen op de mogelijkheid van heldendom, een bijna heilig
geloof in wonderen, - als de leugens als sterren konden oplichten.
Ik moet er niet aan denken om vereeuwigd te worden als een held,

wat ik nooit was. Ik bracht mijzelf, en mijn mannen, steeds weer
in de problemen die onmogelijk en onoplosbaar leken; keer-op-keer,
alsof het een spelletje was: afhankelijk van de dobbelstenen

verschenen tegenslagen in verscheidene vormen en aantallen,
we waren aan de goden overgeleverd. Het zou niet lang meer
duren voordat we werden geconfronteerd met de wildste zee

ooit bevaren, waarover de mannen beweerden dat dit kwam
doordat we Polyphemos, een gigantische kerel, dronken
hadden gevoerd en vermoord om te ontkomen aan zijn blinde

woede. Ondertussen, ik was even bij Aiolos op visite geweest,
wilden de manschappen weten wat er in de zak zat die ik had
meegekregen van hem, zij vermoedden zeer kostbare schatten:

het was hun eigen ijdelheid en nagejaagde wind wat zij vonden.
Opgewonden door het zelfbedrog sloeg de angst hen om het hart,
door de smart vergaten zij te roeien met de riemen die ze hadden,

waardoor we verder afdreven van ons geliefde land, ons Ithaka.
Het kon niet anders dan dat we daarna strandden, in handen van
een vijandig volk belandden, de beruchte Laistrygonen. Zij die

af zouden stammen van Poseidon, gezeten in de stad Telepylus,
wilden ons wel als hun avondeten, ondanks dat een dochter
van koning Antiphates ons vergezelde naar haar vaders paleis.

Ik was wijs genoeg om als de wiedeweerga weg te wezen
met het resterende deel van mijn bemanningsleden, deze
immens brute soortgenoten achterlatend met hun bouwsels

waarmee zij rotsen de zee in konden werpen. Ik weet niet hoe,
maar mijn schip bleef als enige van alle schepen over: was dat
geluk of vakmanschap?

Ik verklap niks. Maar toen we vervolgens bij Circe verbleven,
leken mijn mannen wel in zwijnen te veranderen: haar eten
was zo verrukkelijk, ze stond gewoon te toveren in de keuken:

elke dag een feestmaal met goed gebraden beesten, geserveerd
in heerlijke sauzen gevuld met blauwe en meer vreemdsoortige
bessen, verse ui- en knoflookachtige, abstractere toevoegingen.

Zoals je wel vaker ziet bij alleenstaande vrouwen, ze weerde ons,
echte mannen, af; we moesten haar vertrouwen winnen,- je kunt
je afvragen of haar gedrag oorzaak of gevolg was van alleen-zijn.

Mijn manschappen waren dik geworden, zij likten hun borden af,
alsof zij niets anders konden bedenken, om te doen, dan eten.
Ik moest hen weer meekrijgen, onze reis was nog niet ten einde:

Hermes leverde een medicijn waardoor de mannen snel afvielen,
hun honger was gestild; de poging van Circe om mij te verleiden,
met haar kookkunsten, mislukte, - ik deelde wel het bed met haar,

maar niet zonder Circe het zwaard aan de keel gezet te hebben.
Daarna zijn we alsnog een tijd gebleven, opgelucht dat we leefden,
bovendien gaf Circe juiste aanwijzingen voor de toegang tot Hades.

Daar raakte ik de draad een beetje kwijt: wie was nou wie? Met wie
en, hoezo heb ik met de doden gesproken? Het kan niet anders dan
dat Circe mij bedrogen had, gedrogeerd met hallucinogene stoffen.

Tiresias, de blinde ziener die ook zeven jaar lang een vrouw was,
had evenwel gelijk, áls ik hem gesproken heb in het dodenrijk,
over wat mij en mijn mannen nog te wachten stond op onze reis

terug naar huis,
terug naar Ithaka.

... =deel 4= ...

Schrijver: R.E.N.S., 1 oktober 2026


Geplaatst in de categorie: literatuur

Er is nog niet op deze inzending gestemd.aantal keer bekeken 234

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!

reageer Geef je reactie op deze inzending: