voeg je netgedicht toe

Netgedichten

Laatst toegevoegde netgedicht (nr. 90.592):

Odysseus’ verhaal; valwind

Terug naar huis, terug naar Ithaka, naar onze vrouwen die
erop vertrouwden dat wij zouden wederkeren als mannen,
mannen met baarden en zwaarden, gesterkt in het strijden;

het diepe verdriet om het overlijden van onze makkers
in de hel van Troje, hadden wij allang overboord gegooid,
achter ons gelaten. Althans, dat dachten de achterblijvers.

Wie in levenden lijve, dagenlang, tussen de andere lijven,
stinkend en uiteindelijk ook stervend, half verzuipend
op een kluitje in de buik van een houten paard heeft gezeten,
weet wel beter, daar word je niet sterker of mannelijker van.

Maar wij, wij waren nog niet zo ver, wij gingen nog lange niet
naar huis. Het lot, noem het Zeus, voor mijn part het godd’lijke,
wat jij wil; ik weet dat we toen simpelweg waren verdwaald.

De zeehonden lagen te maffen, sommigen blaften, de wind
gierde door de klippen, golven braken, vertroebelden zicht.

Ik verplichtte de mannen hun oren te wassen, zodat zij de zang,
het valse gejank van zeehonden in de wind, beter konden horen,
maar zij vonden het ondoenlijk. Om het ijs te breken, als grap,

liet ik mij strak vastbinden aan de mast, ik schreeuwde dat het
een lieve lust was om boven dat onbenoembare volume van die
sirenes, die natuurverschijnselen uit te komen. In mijn naarste

dromen, tijdens mijn voorbije leven, kon ik het niet laten
mij over te geven aan de oneindige stromen van geluid die
in golven buitelden over mijn bewustzijn. Als vernauwing.

Als de nauwte niet bijtijds doorzien was, de Dwaalrotsen,
de verre van simpele passage tussen de Symplegades, waar
golven klapten op de kliffen, dan zouden wij gezonken zijn,

met z’n allen. Op een valwind, met man en macht roeiend,
ontstond een boeiende strijd tussen wilskracht en natuur, -
dat ongehoorde geweld sloeg zes bange mannen overboord.

De vallende stilte die daarop volgde was indrukwekkend,
maar werd spoedig verstoord door het loeien van runderen.

De ogen van mijn mannen begonnen te glunderen; het feestmaal
zag ik al flonkeren in hun ogen, magen knorden harder dan ooit,
maar dat diner diende niet door te gaan vanwege strenge wetten
omtrent eigendom, ondergebracht in het heiligdom van Helios.

Dom van mijn bemanningsleden om in een uitgegraven duinkom
alsnog hompen vlees te verorberen. Je kunt wel raden hoe het
met die mannen afgelopen is.

Ik eindigde als vis
in het ongewisse,
aangespoeld op een strand.

... [deel 5] ...

Schrijver: R.E.N.S., 2 oktober 2026


Geplaatst in de categorie: literatuur

3.0 met 1 stemmen aantal keer bekeken 284

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!

reageer Geef je reactie op deze inzending: