Odysseus’ verhaal; Kalypso
Happend naar adem, spartelend als ik dat had gekund, lag ik
weerloos als een vis, ongewis, op het strand van een land dat,
na de zeven jaar die ik uiteindelijk ben gebleven, zomaar
van de wereldkaart lijkt te zijn verdwenen. Het moet zichzelf
met opzet verborgen hebben in een eenzaamste oneindigheid.
Ik zou mijn eigenheid zijn kwijtgeraakt, als ik gebleven was,
in de armen van zo’n ongekend schone vrouw die niet ouder
bleek te worden, ongehoorde dingen met mij deed, zo ik dat
wenste. En meer dan dat, kón ik krijgen, mits ik zou blijven
bij de grootste verleiding voor een hunkerende man: zij.
Het strand was witter dan wit; het water van de zee rolde
in kalme patronen op de achtergrond van ons leven mee;
de zon klom, iedere dag weer, keer-op-keer, de helblauwe
kom rond, die als een perfecte hemel over ons heen stond
gebogen; zij was gevormd naar mijn zuiverste ideaalbeeld.
Daar, in een romantische hut, waar wij vrij leefden, bleef ik
met mijn gedachten bij Penelope, mijn Ithaka, mijn zoon,
- ik zou willen zeggen dat ik aan mijn dode makkers dacht,
maar de verleidingen, mijn behoeftes, mijn diepe smachten
naar liefde deed mijn eer en verantwoordelijkheid verslappen.
Ik zal niks verklappen, zei ik eerder al, net zomin ik spijtige
misstappen tijdens de strijd om Troje ooit nog opwerpen ging;
de scherpte van mijn tong, mijn diplomatieke kunde sterkte zich
aan de doortraptheid van Kalypso; zij wilde zo graag dat ik,
haar enige geliefde, zonder grieven voor altijd leven zou,
met haar. Daar op dat paradijselijke eiland verlangde ik naar
mijn Penelope, mijn Ithaka, mijn strijdende zoon die ergens
ver weg niet wist wie ik was. De droom van Kalypso spatte
uiteen, - waarna Athena meteen tegen Zeus zei dat Hermes
direct mij ontzetten moest bij die vasthoudende nimf Kalypso.
Het vlot, toch samen met Kalypso snel gebouwd, vertrouwden wij
rap aan de golven toe; ik telde mijn knopen, de vaart zat er goed in
vanaf het begin. Daarna begon de ellende van voren af aan;
Poseidon, toen een geduchte god berucht om zijn geweld
op zee, maakte mij overstuur. Maar dat was van korte duur.
Zeker vergeleken bij die zeven zware jaren die ik nodig had
om Kalypso tot bedaren te brengen, de verzengende gezapigheid
van dat traditionele wijf, haar tot-in-de-puntjes verzorgde lijf lag
altijd klaar voor mij. Maar dat was definitief voorbij, ik hoefde mij
geen zorgen te maken om de zoveelste schipbreuk die ik lijden zou.
Het blije gezicht van Nausikäa, terwijl ik naakt en verschrompeld
weer eens op een strand lag, maakte dat ik lachen kon, en huilen;
zij voelde van nature dat zij niet met een huichelaar van doen had,
maar een gekwetst mens. Nadat ik verzorgd was, luisterden haar
vader Alkinoös en moeder Arete, naar de stroom vreemde verhalen.
Daar kwam geen eind aan, zodoende, of ondanks dat, gaven zij mij
een schip waarmee ik, dankzij de bemanning, terug naar Ithaka,
terug naar mijn Penelope kon, naar Telemachos mijn zoon, Argos,
mijn hond, - hoe kon die nog levend zijn? Ik kon mijn geluk niet op,
sliep diep, nog even, dan zou ik weer op het strand wakker worden,
op eigen grond:
mijn Ithaka.
O, kon ik dat nu nog maar,
één laatste keer,
om het af te leren.
... [deel 6] ...
Schrijver: R.E.N.S., 3 oktober 2026Geplaatst in de categorie: literatuur

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!