Bij het spiegelwater
De sombere dag crepeert in het rottende riet,
zotte schemering wurgt de geblindeerde horizon
met ijzeren hand en sterke vingers.
Ik ben de armoedige schilder zonder onderbroek,
bezeten door de waanzin van de leegte,
die het verstikkende gif en de vitale extase
van dit zwarte water drinkt met dorstige keel
bang voor de dood, angstig voor het leven.
Daar spuugt de damp hem uit: ijskoud en soeverein!
Een marmeren fantoom, gekeerd tegen de stroom.
Zijn veren dragen de trots van een gekreukeld koninkrijk,
een witte vloek die de modder tart.
Laat de winter maar vreten aan de botten van het hout,
en de nacht haar zwarte gal over de aarde spuwen.
Angst? Een kreupel woord voor deze vogel van albast.
Hij breekt het ijs met zijn borst, hij lacht om het moeras,
geen afgrond die zijn goddelijke hoogmoed temmen kan.
Laat de bladeren maar rotten op de stervende grond,
al vriest het bestaan tot een hopeloos karkas—
het is de honger naar die ene, zeldzame tederheid,
die de ziel als een lopend vuur in de as bewaart.
4 oktober 2026
Geplaatst in de categorie: individu

Er is 1 reactie op deze inzending:
om tot een metamorfose te komen,
vooral in de tweede helft
zie ik fanatisme en in fasen,
laten we de eerste,
zonder kansen, onderbroeken en goede passes
maar gauw weer vergeten!