Verbeeldinge
Nog een wijle
spreken mijne ogen
nog niet vermoghende
tot wederrust te neigen,
want zij aanschouwt mij immer aan.
Mochte zij mij willen,
mochte zij met mij
ten slaapwaerde gaen.
Zeker zal zij geuren
naer laet-herfstigh rozenbloet,
ende haere borsten
begeeren een lentebloesem te onthullen.
Het zijn mijne lippen
die dorsten naer teederheyd,
och, konde zij slechts
in mij wonen.
Aldus draagt mijn grijs
nog een jeught in handen,
ofschoon het ademhalen
minder diep van verwe gekleurd is.
Nochtans zal mijne liefde
in haren hemelschen schoot belanden,
want het is de eeuwige droome
waerinne elk waerachtigh minnaar bemint.
... juliaanse taal ...
Schrijver: julius dreyfsandt zu schlamm, 12 oktober 2026Geplaatst in de categorie: liefde

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!