We noemen hem Kees XII; keer-op-keer
Amper nog gedragen,
noch door wilskracht,
uitgeschakelde spieren
en ondefinieerbare pijn,
al beschrijft hij, zich
keer-op-keer verliezend,
in detail,
in passende woorden,
zijn ongehoorde verhaal,
één aaneenrijging van gruwelijk
eenzaam leed onder een dekkende mantel;
en de hemel
die hem nooit goed gezind kon zijn
volgens regels der aardse malloten.
Zijn dagelijkse taaltirades,
parades van mythisch kennisniveau;
andermans flaters naadloos filerend
als een vers
in mootjes gehakt mak-reeltje
of andersoortige prul-ariaatjes;
hoe hij platgeslagen krop- of veldsla-
geblabla wist op te kalefateren,
-zonder waterverspilling,
doch doorwoordspelingen!
tot excellent Jazziaans-slaatje
met exalterende aanvallen van de Hoge C-smaak,
verraden een totaal gebrek
aan wereldvreemde eenkennigheid
of andere leeftijdswaanzin,
hooguit
bewuste afwezigheid
bij feitelijk afgrijselijke sociale verplichtingen
waartegen menselijke organismen
ontegenzeggelijk slecht zijn opgewassen.
Intussen hangen mijn armen op de tafel,
-loslaten is een populair thema-
mijn vingers willen zinnen blijven schrijven,
stapelen De Bergmannen hun ruige riffs
als antigif voor de dreigende afdaling mijner gemoed,
maar het komt goed:
één dezer dagen zal
de ware toedracht van zijn einde,
en wat daaraan voorafging,
boven komen drijven,
sublimeren uit zijn harde woorden,
als gedachtenwolken
óns doen verstijven.
Geplaatst in de categorie: individu

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!