Sjors Boesch – We noemen hem Kees XXIV; vers 283
*283*
De nachtegaal kwam voorbij,
niet voor de eerste laatste maal,
door frasen als zwanenzang,
langzaam beslissende zinnen,
op ‘t witte sterfbed tollen
als in ‘n sterrenhemel.
De knoppen niet uit te zien rollen,
opkomende bollen niet laten knakken
onder volle billen,
knokige knieën
diep in de grond gedrukt;
tenen niet in vechtstand gestoken,
geen harkende vingers
in ’t frisse groen
van stikstof minnende planten
met doorns
die de vroeg ontluikende lust
verstikken in bloed
dat druipen en kruipen zal
langs de lippen
van uitgekomen bloemen.
Echter zure sokken van mensen,
allen ijlings betrokken gemaakt,
die zitting genomen hebben
op de reling van ’t sterven,
waar ‘t allemaal te bezien valt,
-behalve de nachtegaal.
Geplaatst in de categorie: individu

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!