De vluchteling
Hij kwam van ver
Zijn rugzak
vol met rauw verdriet
en afscheid
zo verscheurend
Maar dat zei hij niet
Hij noemde wel zijn reis
De route
Maar hij sprak niet van
de hardheid, de versteende kou.
En noemde niet het kille zweet onder zijn jas
En niet het zwarte zuigende moeras
Hij noemde niet de kracht van ‘t koude water
Dat drukte op zijn borst
Het trillen van zijn lijf
en niet zijn honger en zijn dorst
Zijn eenzaamheid
Dat er geen slaapplek was waar hij toen schuilde
En niet de zwarte angst
de metgezel die huilde.
Hij had zijn vader en zijn moeder niet vaarwel gezegd
Dat kon hij zelf niet aan.
Maar hij was als zo vaak
wel bij hen langs gegaan
voor koffie en een kort bezoek.
En toen hij wegging zei hij, als om het moment nog wat te rekken,
dat hij nu binnenkort wel naar Damascus
zou vertrekken.
En toen was hij verdwenen met een korte groet.
Maar ook dat hield hij voor zich
En hij zocht nog steeds
naar warmte
ogen die hem zagen
zoals hij was.
‘Ik gaan geen vriend hier vinden’
zei hij zacht,
‘de deuren zijn steeds dicht, ik kan het niemand vragen.’
Hij had de taal nog niet
de klanken
Hij had alleen zijn eigen taal:
zijn ogen die als sterren
mij raakten met hun licht.
Mij lieten horen
wat hij mij nog niet zei
maar ik verstond het allemaal
Gewoon een man, gewoon een vrouw
we liepen samen
een stukje
van de weg die hij moest gaan
En in die tweezaamheid
daar deelden wij
En wat hij eerst niet zeggen kon
daar gaf hij woorden aan.
21 maart 2026
Geplaatst in de categorie: vriendschap

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!