Odysseus’ verhaal; voor de val
Ik wilde niet, echt niet, niet mijn Ithaka verlaten,
dus veinsde ik waanzinnigheid en ploegde met os
en ezel het strand om en zaaide zout.
Echter was het mijn grootvader, Palamedes, die mij
doorzag, – laat ik daar eens mee beginnen. Ik kon
zeker niet goed jagen: vraag het de broers van mijn
moeder, Antikleia, allen kinderen van Autolykos, zij
zullen beamen dat de oorzaak van mijn ene litteken
slechts een onschuldig ongelukje was.
Telemachos, mijn zoon, was zeker geen ongelukje,
en geen toeval, schone Penelope, noch zal mijn liefde
voor jou ooit, door welke tegenslag dan ook, vergaan.
Was het uit wrok, of toch uit pure toewijding voor
het hogere doel van de oorlog, ik trok Achilles bijtijds
uit het hof van Lykomedes op Skyros, waar diens moeder,
Thetis, haar zoon had verstopt. Ook heb ik vruchteloos
geprobeerd, samen met Menelaos, de man van Helena,
haar op diplomatieke wijze vrij te krijgen,
om de Grieks-Trojaanse Oorlog alsnog te voorkomen,
maar die scheen uiteindelijk onvermijdelijk te zijn.
Mijn bescheiden vloot van twaalf schepen stak schraal af
bij die van vervaarlijke grootse strijders als Aias, en steeds
weer die Achilles (met zijn Myrmidonen). Echter is dit niet
zijn verhaal, daar ík nog rap van tong ben, voor een dode
spreker helemaal; de sluwste ideeën kwamen ook toen
van mij, netjes gebracht of onverwacht dwingend: zelfs
Achilles draaide daardoor zijn zeilen bij en streed weer,
na een onnodige onenigheid, onder Agamemnons leiding
mee. Diomedes en ik zijn wellicht op nachtelijke verkenningstocht
geweest, hebben in het Trojaanse kamp wat stennis geschopt
waarbij wel doden zullen zijn gevallen, spion Dolen en koning
Rhesos toevalligerwijs, en wat mensen gewond geraakt en prijs
gemaakt. Maar ik weet niet alles even duidelijk meer.
Het draait allereerst om wat destijds gebeurde: vóór
de val van Troje wachtten wij jarenlang, bluste ik
interne brandjes, suste conflicten met woorden.
Dat is wat ik goed kon. Míjn list en diplomatieke kunsten
lokten Iphigeneia, de dochter van Agamemnon, naar Aulis,
als offer voor wat gunstiger winden, - al beweren anderen
dat Agamemnon zelf Achilles had beloofd als huwelijkskandidaat
voor zijn zuster. Wees gerust, hij zou dat nimmer hebben gedaan.
Míjn list en bedrieglijke woorden kregen Philoktetes met zijn
beroemde boog en zijn zeven schepen naar Troje, - jammer
dat hij zo stonk en amok maken bleef. Maar niet voordat ik,
samen met Phoenix en Diomedes, Neoptolemos had opgehaald
uit het hof van Lykomedes, een waarlijke bastaardzoon
van die wraakzuchtige Achilles, - zonder wie wij nooit
Troje zouden kunnen innemen volgens waarzegger Helenos,
die pas waarschuwde ná de dood van Achilles.
Dit alles, en meer moois,
gebeurde nog vóór de val van Troje.
... [deel 1]
propublishing.nl/gedichten/2026/10/r-e-n-s/r-e-n-s-odysseus-verhaal-deel-i-t-m-viii/ ...
Geplaatst in de categorie: literatuur

Er zijn 4 reacties op deze inzending:
ik zou dolgraag al meer delen met jullie delen,
maar om de gemiddelde lezer niet te overvoeden
en de redactie niet nog gekker te maken
(het gedicht werd eerst afgewezen
omdat het proza in dichtregels zou zijn),
houd ik het bij één deel per dag,
- er liggen twee delen klaar,
het vierde is in de maak
(ik weet niet hoever dit gaat)
aangezien ik toch al bezig ben…kom maar door met die volgende delen…