Achter de eeuwige grens
Mijn grootvader brengt zijn erf naar het wad,
ik zie het golven van zijn dunne haren.
Soms wacht hij en blijft nog even staren;
van alsmaar klagen heeft hij genoeg gehad.
Stilletjes ademt het grint zijn schrede,
het gebed dat hij elke dag voordroeg.
In zijn zieke knuist rust waar ik om vroeg;
wat bij hem lag, maakte hem tevreden.
Zijn lief kon hij achter schrikdraad palen,
toen de zomer nog fraaie bloemen had
en het veld achter de eeuwige grens was.
Achter zijn oren bewaart hij verhalen
die je eens kon horen bij het waterrad;
het wad schreeuwde toen ik haar zonde las.
Geplaatst in de categorie: afscheid

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!