Odysseus’ verhaal; na de val
Hoe ik als enige de boog spannen kon,
welke ik gekregen had van gastheer Eurytos
aan het hof van Mycene, zal ik nooit bekennen;
en waarom ik nimmer mijn doel miste,
- dat weten hedendaagse gamers inmiddels ook,
er bestaat zoiets als een ‘aim-assist’.
In mijn tijd bestonden de goden ook niet echt,
het was een manier om recht te spreken
over de mannen, om hun macht in te perken,
- dat Zeus later nog is verkozen tot De Almachtige,
is voor eerdere generaties een inflatie van wat
de goden betekenen voor mens en beschaving.
Na de val van Troje, waarover ik voor altijd zwijgen zal,
wilden wij, mijn bemanning en ik, terug naar huis en haard,
met baard en al naar Ithaka; wij smachtten, na tien lange jaren,
verbouwereerd door het doorstane leed, naar onze zeer
geliefde vrouwen, kregen almaar meer honger. Op Ismaros,
het eiland der Kikonen, roofden wij alles wat er te eten was.
Na een beestachtige braspartij, tegen de ochtend,
werden wat manschappen van mij, terecht of niet,
aan speren geregen door de inheemse bevolking.
Laat ik voorop stellen dat ik, als bevelhebber,
als koning nog wel, ongedeelde verantwoordelijkheid
droeg over het doen en laten van mijn mannen,
maar zelfs ik was niet in staat om de krachten der
natuur te voorspellen of met eigen denkkracht
te mennen. Zo liet ik verkenners vooruitgaan,
aangekomen op het eiland van de Lotuseters,
de Lotofagen, waar zij direct van de jujube aten
en niet meer mee naar huis wilden. Wij tilden ze
daarom met alle geweld weer aan boord, de vreedzame
bewoners zagen ons aan, gingen onverstoorbaar door
met hun leven. O, konden wij dat toen maar.
Doodvermoeid door dit gebeuren koos ik
kennelijk het verkeerde sterrenbeeld aan
de stuurboordkant, waardoor wij afkoersten
op de grootste waanzin die in de hoofden van
mijn bezeten makkers postvatte. Het eiland
hierna werd bewoond door bizar grote lieden,
zeker vergeleken bij de ondergemiddelde lengte van
mijn mannen uit Ithaka schenen het wel reuzen, zelfs
hun schapen staken met kop en schoft boven ons uit;
de grotten waarin de hele bevolking leefde, leken op
hemelse gewelven, werkelijk indrukwekkend hoog
en donker, het stonk onbedaarlijk naar excrementen.
Waarom al die mensen één oog hadden uitgestoken,
misschien als onmenselijk ritueel bij volwassenwording,
is ook voor mij één van de overgebleven raadselen uit
die tijd. Toen, in dat verleden, waarover zoveel is gezegd
en geschreven, verdraaid en zwaar overdreven, - daarom
treed ik nu uit de schaduw naar voren met mijn verhaal,
als reactie op onzin die, door de donkerste eeuwen heen,
tot op de dag van vandaag, over mij en mijn daden
verkondigd zijn. Dit is mijn eerste en laatste poging
om de waarheid, van dat wat toen werkelijk gebeurde,
te laten zien aan eenieder die het weten wil, omdat we
de gevolgen daarvan tot op heden betreuren kunnen.
... =deel 3= ...
Schrijver: R.E.N.S., 30 september 2026Geplaatst in de categorie: literatuur

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!