‘Een lotgeval’
heilige verlangens naar onbereikbare liefde
gewond, licht dooft wijl Orpheus afdaalt
naar de onderwereld in het zicht van Charon
in de lichtstraal houdt zij een witte duif van hoop vast
maar de plek die hij betreedt kan omgekeerd zijn
of een weerspiegeling van wat verschijnt
liefde voor de onbereikbare verheft zich
in die van de vader voor zijn dochter
die als vrouw even onbereikbaar is
een gedicht van de arts waarin diens eigen begrafenis
de kern is, de dood en de romantische liefde verenigd
één persoon die Laura redden moet, zij
het tegengestelde van de gedroomde, geobsedeerd
door haar kinderwens, zonder gevoel
zij de koele berekening, hij de genenbank
de man in het zwart die hem naar de kelder brengt
als hij weer naar boven gaat, krijgt hij ademnood
‘overal loert gevaar’, operettemuziek, extremen
liefde en liefdeloosheid, geluk dat hij bij anderen ziet
ongeluk dat hij zelf ervaart, droom en werkelijkheid
vroeger en nu, hoop en wanhoop
hij vangt een vlieg, symbolisch
voor dood en herinnering, brengt haar
op gruw’lijke wijze aan een einde
de veerman daalt opnieuw met hem af
waar zij opgebaard ligt, alsof hij zich
in ‘inktzwart water’ bevindt
zwarte vogels strijken neer, van wroeging
biecht hij op zijn muur te hebben gesloopt
alsof hij een stukje vertrouwen vindt bij de dood
op het kerkhof treft hij niemand
de graven lijken verdwenen
er is geen sprake van een begrafenis
immer nog in de tuin van de kliniek
alsof hij boven de tijd uitstijgt, en
‘volstroomt met wat misschien wel volwassenheid heet’
de helletocht is doorgemaakt
het vermoeden dat Laura niet gestorven is
maar de herinnering aan het zuivere
Geplaatst in de categorie: literatuur

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!