Navond van de bouwmeester
Het wordt stil.
De stad ademt uit in steen en blad,
zuilen staan nog recht, maar luisteren al
naar iets wat onder hen begint.
Een man keert huiswaarts door wat hij bouwde,
de dag nog zwaar in zijn handen,
straten dragen zijn stappen niet meer,
ze herinneren zich wortels.
Navond, navond,
breekbare avond,
de vormen lossen langzaam op.
Hij heeft de zomer in steen willen vangen,
acanthus gekerfd tot gehoorzaamheid,
pleinen geordend naar een droom
die nooit aarde heeft gekend.
Maar nu —
nu groeit er iets zonder zijn wil.
Onder de tegels schuift het donker,
wortels vinden hem, herkennen hem,
nemen hem op zonder oordeel.
Zijn bloed wordt zachter,
vergeet zijn richting,
leert opnieuw te stijgen zonder hoogte.
Navond, navond,
luisterende avond,
de stad wordt weer een lichaam.
Er brandt nog licht achter glas,
een stem roept iemand die niet meer komt,
of misschien eindelijk wel.
En hij —
hij ligt nu lager dan zijn laatste steen,
maar voelt, voor het eerst,
hoe iets in hem openbreekt.
Geen zuil meer, geen naam,
geen strijd die rechtop moet blijven —
alleen nog dit:
een trage, onzichtbare bloei.
Navond, navond,
eindige avond,
waarin zelfs steen leert ademen.
7 april 2026
Geplaatst in de categorie: algemeen

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!