Levenslust van de Vlieg
Het brommen vult de kamer,
dom en hardnekkig,
ik sla met de waaier
links, rechts, vergeefs –
het zoemen ontwijkt.
Levenslust is geen lieflijk goed,
maar dit hinderlijk gonzen
dat geen rust duldt.
Ik wijk uit naar de schuilhoek,
ontsnap de soldaten van de Keizer
die mijn hekeldichten vreest,
toch schrijf ik door.
Want levenskracht is geen rozenbed,
het is het brommen dat blijft,
het vers dat straks luid
in gesloten keizerlijke oren zal gonzen,
terwijl de Hemelzoon zelf
mijn rust verstoort.
Een vlieg cirkelt om mijn hoofd,
stoort mijn schrijven
zoals ik de stilte van de troon stoorde.
Ik lach erom, kinderlijk,
want wie het leven bemint
moet durven zoemen waar men zwijgen wil,
moet dansen rond het hoofd
van wie zich machtig waant.
En als dit minnend hart moet scheiden,
als de waaier eindelijk raakt,
bid ik om dat hogere vuur:
vaste, kalme stervensmoed.
Laat mij sterven zoals ik leefde –
brommend, ontwijkend,
onvermoeibaar gonzen
tot het allerlaatste ogenblik,
levenslust die stoort
en stervensmoed
die blijft zoemen
als alles zwijgt.
17 mei 2026
Geplaatst in de categorie: afscheid

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!