Banda
De loef op het eiland
Aan de kim reeds in zicht gekant
krijgt de golven er bovenop
Trekken thuis tegen de hamerende kop
Wat een zwalpend afleggen opeens betekent
Per strekkende meter van gezwoeg
Want nagenoeg niet gerekend
Was op windstreken voor de boeg
En de stuurman's verbale dictaten
Die derhalve gramstorig exploderen
In een duizend bommen en granaten
Van driftig scheldkannoneren
Houten prauwen daarentegen
Peddelen gemoedelijk ons tegemoet
Steken gelijk ikonen stil geheven
Hun handen op in Afrikaanse groet
En wij in ons spartelende speedbootje
Victoria's makke tartend tegen de keer
Leggen met vermeende krachten
Van paarden het lootje
Maar dan subiet een onbewogen plas
Accelererend stijgt het polyester uit zijn as
En in de luwte trekken we van leer
Want als bij donderslag herrezen schijnt de Heer!
Daar ontrolt zich zienderogen
Banda; het paradijselijk resort
En niemand onvertogen
Die meer mort
... Het gedicht beschrijft een ruwe overtocht naar Banda, een eiland in het Victoria meer. ...
Zie ook: http://henkjonkerafrica.yolasite.com
Schrijver: Henk Jonker, 5 februari 2016
Geplaatst in de categorie: reizen

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!