Zonder haar te verbranden
In het inktduister waren wij hoopvonken,
en noemden onze roetzucht vooruitgang.
Tandwielen zongen hun ijzerpsalmen
terwijl de aarde werd verwerkt tot onze motor.
Wij smeerden de dag met oliebloed,
verleerd om de hartslag van het zand te horen.
In een koorts van duisterbranden
werd de wereld opnieuw uit staal gesmeed.
Een raket werd uit de grond getrokken,
gevoed door eeuwen zon en zee.
Ze steeg —
roetgevleugeld,
op steden, brandgestuwd.
Wij juichten bij elke meter hoogte:
meer mensen,
meer spullen,
meer cijfers die omhoog wezen
als wijzers zonder eind.
De lucht werd dunner.
De motor trilt.
Warmte blijft hangen
waar ze vroeger ruimte had.
Schroeven lossen zich
in namen als klimaat en grens.
Sommigen roepen: sneller!
Anderen: terug!
Maar niemand weet
hoe je een raket laat landen
die nooit geleerd heeft, waar stoppen begint.
De vraag is niet meer
hoe hoog we kunnen,
maar
of we leren vliegen —
zonder dat de wereld verbrandt.
Geplaatst in de categorie: wereld

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!