Niemand ooit zo gebroken als wij nu ademen
Een vrije vogel springt op de rug van de wind
maar mijn ribben zijn een smalle kooi blijven steken
in de oranje zonsondergang die nooit komt
alle namen van de vrouwen in mijn familie
verloren in de wind, alleen de bergen
herinneren zich nog hoe hun keel klonk
toen ze stierven zonder echo
nu ben jij als een god, zei de man op straat
toen hij zag hoe ik drie horren droeg
alsof dat gewicht het laatste was
dat mij mensen hield
toen de camera niet werkte
toen de foto’s van dijen en heupen uitbleven
bleef alleen de deuk in de bank over
van te veel avonden naast elkaar zwijgen
alsof zwijgen een soort liefde was
die stiller viel dan vallen
ik schrijf je neer in de geschiedenis
met bittere, verwrongen leugens
maar nog steeds, als stof, rijs ik
door de modder van Mechelen
door de longen vol inkt
door de jaguarogen van stadsgoden
die ons eten terwijl wij denken dat het wolken zijn
toen de bergen zwegen
toen de wind de namen stal
toen het kind de kamer uit was
en de schaduw met één minder werd
toen heb ik mezelf een mes gegeven
geen lemmet, maar een woord
dat opensneed wat nooit gesloten was
en uit de wond kwam geen bloed
maar een rivier van alle vrouwen
die ooit vergaten hoe ze heetten
ze lopen nu door mij heen
met natte voeten, blote harten
ze zeggen:
sta op
sta op
sta op
zelfs als de wind je naam al lang
in de keel van een andere berg heeft gelegd
zelfs als de camera voorgoed kapot is
zelfs als god op straat je alleen maar
een ogenblik aankeek
rijzen wij
als stof dat huilt
als vogels die hun eigen tralies
tot vleugels smeden
niemand ooit
zo gebroken
zo levend
als wij nu ademen
10 maart 2026
Geplaatst in de categorie: actualiteit

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!