Is liefde dan een machteloos erbarmen?
Het schip van aarde slingert door het ruim,
een splinter hout op kolkend zwart water,
waar de maan met wit en ijskoud schuim
de wonden slaat van nu en van het later.
Wij liggen in de buik van dit gevaar,
als tweelingen die op de afgrond wachten,
terwijl de seinen gillen, onverstoorbaar,
door de kieren van de lange nachten.
Zij slaapt. Haar adem is een broze vrede,
een land waar ik de grens niet van herken.
Zij is naar verre verten afgeleden,
terwijl ik hier de wachter van de wanhoop ben.
Ik zoek haar hand, die kleine, warme haven,
voordat de golven overstag gaan in de vloed,
maar zij keert weer, met vreemde glans omhangen,
met geuren van een oord dat mij verraad vermoedt.
Is liefde dan een machteloos erbarmen?
Een kort beven van de wimpers in de nacht?
Ik wil mij breken uit haar tengere armen,
nu de doodskreet driemaal op de morgen wacht.
Want in de diepte van dit zinkend leven,
waarin de geest naar verre gletschers staart,
blijft slechts dit bange, laatste overgeleverd:
dat geen ziel de ander voor de nacht bewaart.
... Dit dwingt ons tot een confrontatie met de eindigheid. Of we nu als "tweelingen" naast elkaar liggen in het ruim van een zinkend schip, of als vreemden tegenover elkaar staan na een lange dag van innerlijke afwezigheid: de mens is een wezen dat voortdurend afscheid neemt. ...
Zie ook: http://www.tikzin.be
Schrijver: bart devoldere
9 april 2026
Geplaatst in de categorie: afscheid

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!