‘Aperta, Kyparissos!’
Aan die ene boom zag ik ooit gewoon de onschuld
hangen als dat laatste blaadje vergeten om te vallen,
klaar voor het nieuwe licht van die aangebroken lente.
De wind verried iedere aanwezigheid, een verijdeld
takje met gemak waargenomen, liet het hert stoppen,
mijn hart sneller kloppen; we konden gelukkig zijn.
Als wolvenkind gebonden aan de verrukkelijke jacht,
bracht ik dagen door in doornstruiken, brandend in de zon
geklommen en hoogstaand, duikelend over de einder.
Ik dacht aan zijn gewei, ons vrije leven, de onmisbaarheid
van lucht, adem als een gegeven, toen in mijn beleving
het onbekende verscheen op speerworpafstand.
Mijn hand greep, als meerdere eerdere keren, instinctief
de juiste stand om deze prooi te vangen, tussen jonge bla’ren
en die ene van vorig jaar, stond mijn avondeten klaar.
De honger van mijn ogen bedroog mijn heldere blik,
aan de scherpte van de focus of de speerpunt ontbrak niks,
noch kon de ontluikende lente een uitgestoken hand bieden
tegen dit kiene precisiewerk.
Het zwerk viel daar exact samen met de compactheid van
de kracht van verdriet, de opwellende wolken, losbarstende
donder, flitsen van onze dromen: getroffen in het hart.
Van mijn geliefde hert droop het bloed door mijn ziedende
handen, waanzin kwam steeds naderbij, ik zag zijn gewei,
ons vrije leven, de onmisbaarheid van lucht.
Wat eerst nog tragisch klonk, als zucht in de verte, begon
vormen aan te nemen van Apollinische proporties; in één
zweem van driestheid zou ik geheid aansterken, als hij
mij liefhebben mocht.
Zijn ongebreidelde fantasie; mijn dierbare hert gestorven,
mijn precisie werd hem teveel, mijn strot vulde zich met
vergulde tranen onder die ene boom waar ik ooit gewoon
de onschuld hangen zag.
10 april 2026
Geplaatst in de categorie: liefde

Er zijn nog geen reacties op deze inzending. Schrijf de eerste reactie!